Over maatschappelijke
verbondenheid en politieke versnippering. Enkele bedenkingen.
Psychologos
December 2006 - Jaargang 21
- Nummer 4
De
gemeenteraadsverkiezingen en provincieraadsverkiezingen van 8
oktober zijn pas achter de rug, de federale verkiezingen staan
voor de deur. Maar of het nu handelt om de verkiezing van de
gemeenteraad, het regionale, federale of Europese parlement,
telkens is de opdracht van de politieke partijen te herleiden
tot één doel: proberen om de kiezer te overtuigen. Intussen
blijkt dat de maatschappelijke verbondenheid tussen de politieke
partijen en de kiezers kleiner is geworden. En dat werkte de
politieke versnippering in de hand. Enkele bedenkingen.
Naar
een algemene tactiek van manipulatie?
Dat
politieke partijen voor het overtuigen van de kiezer heel wat
financiële middelen veil hebben, is geen geheim.
Reclameadviseurs staan de partijen met raad en daad bij met de
manipulatie van de kiezer als belangrijke taak. Daarover
verscheen een interessant artikel in Psychologie Magazine
(november 2006 – “Verkiezingspolitiek. Zo wordt u
gemanipuleerd”), waarin de tactiek van enkele Nederlandse
politici als Pim Fortuyn, Wouter Bos (PVDA) en Rita Verdonck
(VVD) uitgebeend wordt: inspelen op angst, zich profileren als
eenzame uitzondering… Inderdaad: ook in Vlaanderen kennen we
partijen en politici die dezelfde tactiek hanteren. En dan duikt
uiteraard ook de vraag op of we hier ook dezelfde kant opgaan
als de Verenigde Staten en Engeland, waar spin doctors de
touwtjes in handen hebben. Denken we maar aan het recente
voorbeeld van voorzitter Bart Somers, die reclamespecialist Noël
Slangen in de VLD binnenhaalde om de partij opnieuw op het goede
spoor te zetten.
De rol van
de politieke partijen
De rol
van de politieke partijen is langzamerhand gewijzigd. Vroeger
mobiliseerden politieke partijen kiezers rond conflicten en op
basis van hun ideologische overtuigingen. Tussen de partijen en
hun kiezers was er een maatschappelijke verbondenheid. De
laatste tijd mobiliseerden de politieke partijen meer voor hun
tweede rol: regeren en dus steun zoeken bij de kiezer voor hun
beleid dat aan de hele bevolking kan opgelegd worden.
Daardoor
vervaagde de maatschappelijke verbondenheid. Partijen
profileerden zich minder en minder als ledenbeweging. Deze
evolutie was en is minder merkbaar bij de verzuilde politieke
partijen zoals sp.a en CD&V. Maar in het algemeen kunnen we
stellen dat het dagelijkse partijleven inderdaad uitsterft:
afdelingsfeesten, uitstapjes… worden niet meer met de
regelmaat van een klok georganiseerd. In de gevallen dat het wel
nog plaatsvindt, is het eerder een kans om extra financiële
middelen binnen te halen dan een gelegenheid om de politieke
partij tussen de mensen te brengen. Politicoloog Kris Deschouwer
stelde in 2003: “Hoewel alle politieke partijen in de
samenleving ontstonden, zijn het nu gespecialiseerde, goed
voorbereide en georganiseerde bestuurders geworden die zich uit
de samenleving hebben teruggetrokken.” (Democratie als
filosofisch vraagstuk, 2003).
Nochtans
hebben de toonaangevende opinie- en belangengroepen hun invloed
de laatste decennia geconsolideerd. Via de traditionele
politieke partijen oefenden ze een grote invloed uit op het
parlement en de regering. Zo werden de sociale bewegingen van
nabij betrokken bij het sociaal-economisch en het algemeen
regeringsbeleid dat van de jaren ’60 tot en met de jaren ’80
overwegend bepaald werd door de christen-democraten en de
socialisten. Het gezamenlijke optreden van de vakbonden en
ziekenfondsen vergrootte nog het gewicht in de overlegeconomie
en in de sector van de sociale zekerheid.
Het
verzuilde bestel hield toen nog stand tegen een aantal krachten
in. Maar onder invloed van de toenemende mobiliteit, de invloed
van de nieuwe media, de vorderende secularisatie en een grotere
openheid kwam het tot een gedeeltelijke politieke ontzuiling.
Dit werkte ook het ontstaan van een aantal nieuwe partijen in de
hand. Zo werd de Volksunie de eerste pluralistische partij. In
1961 nam de liberale partij afstand van het antiklerikalisme,
werd omgevormd tot de PVV, de Partij voor Vrijheid en
Vooruitgang. Vanaf dat ogenblik werden kiezers van de CVP
afgesnoept.
De
ontzuiling werd trouwens veel gemakkelijker gerealiseerd in de
burgerlijke kringen dan in de arbeidersbeweging. Daardoor
zwermden de katholieke kiezers naar een groot aantal partijen.
De geloofsfactor speelde steeds minder een rol in het
kiesgedrag. Maar in het politieke leven bleef die factor wel op
de achtergrond. Er werd gewaakt over de instandhouding van de
bereikte levensbeschouwelijke compromissen. Ook in morele
kwesties die op de politieke agenda kwamen, zoals de
abortusproblematiek en recenter het euthanasiedebat, behield de
religieuze factor zijn rol.
In
Vlaanderen trad dus een ontzuiling van de kiezers op, maar dit
leidde merkwaardig genoeg veel minder dan in Nederland tot een
ontzuiling van het organisatiewezen en van het staatsbestel. De
verzuilde organisaties hebben hun bevoorrechte band met
politieke partijen behouden. Ze wisten een deel van hun leden
aan zich te binden, door een aanpassing van hun ideologie en
door de efficiëntie van de dienstverlening. In het algemeen is
het zo dat de zuilorganisaties in België stand hielden door hun
verstrengeling met het staatsapparaat, hun dienstverlening en
hun sociaal nut.
Politieke
versnippering
Zoals
eerder gesteld: de gedeeltelijke politieke ontzuiling werkte het
ontstaan van een aantal nieuwe partijen in de hand. Als de
traditionele partijen blind bleken te zijn voor nieuwe problemen
waar de burgers mee geconfronteerd werden, kregen de nieuwe
partijen een kans om op het politieke toneel te verschijnen, met
een wisselend electoraal succes. De communisten, Rossem, WOW en
andere partijen kwamen en gingen…
De
regering – Verhofstadt I voerde een kiesdrempel in om de
werking van de democratie efficiënter te maken. Zo werden de
kansen van kleine en nieuwe partijen om effectief te zetelen in
een regionaal of federaal parlement gefnuikt. Bij het invoeren
van de kiesdrempel kunnen echter een reeks vraagtekens geplaatst
worden. Handelt het daadwerkelijk om een voornemen de democratie
efficiënter te maken of is het veeleer een poging om de
beleidsdeelname van bepaalde traditionele partijen te
beschermen? Wat met de continue zelfreflectie van de
samenleving, de openheid voor nieuwe ideeën?
De
kleinere partijen vonden via de kartelvorming intussen een
middel om de kiesdrempel te overwinnen. Alle traditionele
partijen zagen er een kans in om de eigen positie te verstevigen
in het politieke landschap en zo ontstonden de grote kartels
CD&V en N-VA, sp.a en spirit, VLD en Vivant.
Of dit
een bescherming biedt voor de ideologische en programmatorische
inhoud van de kleine partijen zal de toekomst moeten uitwijzen.
Kurt
Himpe (kurt.himpe@n-va.be)
is nationaal partijbestuurslid van de Nieuw-Vlaamse Alliantie,
gemeenteraadslid in Izegem en politiek ondervoorzitter van de
Izegemse N-VA. Beroepshalve is hij coördinator aan het Izegemse
Vrij Technisch Instituut.