|
Herman Vos. Van Frontpartij
naar Belgische Werkliedenpartij
Heemkundig Handboek voor de
Antwerpse Regio
Maart 1996
“De
Heer Herman Vos, leider van de Frontpartij, verlaat haar en treedt tot de
Belgische Werkliedenpartij toe”. Deze krantenkop op de frontpagina van Volksgazet,
de Antwerpse socialistische krant, maakte op 1 november 1933 zijn lezers de
politieke stap van Herman Vos bekend.
Uit een
onderzoek blijkt dat Vos’ beslissing geen verrassing inhield en dat hij
verschillende beweegredenen had om van de Vlaams-nationalistische Frontpartij
naar de Belgische Werkliedenpartij (BWP) over te stappen.
Herman
Vos vóór het afscheid
Herman Vos werd
op 30 maart 1889 in Antwerpen geboren. Na zijn middelbare studies vond hij een
betrekking op het Gemeentelijk Bureau voor Statistiek en volgde colleges aan het
Sociologisch Instituut van de Brusselse Universiteit.
Tijdens
de Eerste Wereldoorlog werkte hij op een bureau, opgericht door het Antwerpse
stadsbestuur, met als opdracht de noodzakelijke connecties met de Duitse
overheid te onderhouden. Paul van Ostayen en Marten Rudelsheim waren in die
periode zijn collega’s. Uit hun politieke discussies werd een gedeelte van het
Antwerpse activisme, een beweging die met behulp van de bezetter de Vlaamse
kwestie wilde activeren en de Vlaamse eisen wilde doordrukken, geboren.
De overgang van
discussies naar politieke stellingname was voor Vos niet erg groot: in 1917 trad
hij tot de Raad van Vlaanderen toe. Deze Raad werd op 4 februari 1917 op
initiatief van de Duitse bezetter als een volksvertegenwoordiging opgericht. In
tegenstelling tot de meerderheid van de leden die tot de separatistische
strekking hoorde, wilde Herman Vos geen einde maken aan het Belgische
staatsverband. Toen de Raad van Vlaanderen de zelfstandigheid van Vlaanderen op
22 december 1917 uitriep, trad hij samen met Marten Rudelsheim en Antoon Jacob
uit. Na een zogenaamde volksraadpleging werd in maart 1918 een nieuwe Raad van
Vlaanderen opgericht, die op 27 september 1918 voor het laatst vergaderde. Zijn
deelname aan de Raad betaalde Herman Vos na de oorlog met een gevangenisstraf
van drie jaar.
In 1920 kwam
Vos bij het secretariaat van de Vlaams-nationalistische Frontpartij en werd
hoofdredacteur van het Antwerpse nationalistische weekblad De
Ploeg (1920-1925) en hoofdredacteur van het Brusselse Het Vaderland (1926-1932). Van 1928 tot en met 1933 was hij hoofdredacteur
van het Antwerpse Vlaams-nationalistische dagblad De
Schelde, waaraan hij al vóór 1928
dikwijls meewerkte.
Het
Vlaams-nationalisme had zich na de oorlog en de ondervindingen van het activisme
in 1919 in een Vlaams Front, kortweg Frontpartij genoemd, georganiseerd. Het
Front hield, vooral wat de schoolkwestie betrof, vast aan het godsvredebeginsel.
Dit hield een opschorting van alle andere dan politieke kwesties in, om zo de
meningsverschillen, vooral tussen katholieke en niet-katholieke nationalisten
naar de achtergrond te schuiven. Want terwijl het Vlaams-nationalisme op het
platteland hoofdzakelijk katholiek was, waren in Antwerpen en andere Vlaamse
steden vooral vrijzinnigen geconcentreerd.
Antwerpen gaf
de toon aan van een links-democratische politiek, wat niet altijd naar de zin
was van vele katholieke nationalisten. Van bij aanvang zou die
links-democratische strekking in radicale, katholieke milieus aangevochten
worden. Daar zouden dan ook de eerste sporen van een anti-democratische,
autoritaire stroming van het streven naar een nieuwe orde getrokken worden.
Herman Vos
moest tot de verkiezingen van 1925 wachten vooraleer hij op de Kamerlijst van de
Frontpartij werd geplaatst .
Hij werd verkozen en werd vrij snel fractieleider. Typerend voor zijn
parlementaire activiteiten was de grote zin voor realisme en gematigdheid,
kenmerken die soms met die van de radicale nationalisten in botsing kwamen.
Herman Vos’
actie met de grootste draagwijdte was zeker de Bormsverkiezing in 1928. In
Antwerpen stierf een liberaal volksvertegenwoordiger en omdat er geen
plaatsvervangers waren, was een tussentijdse verkiezing nodig. Alleen de
liberale partij, de twee concurrerende communistische partijen en de Frontpartij
stelden een kandidaat voor. De socialisten en de katholieken riepen op om blanco
te stemmen. De kandidaat van de Frontpartij, August Borms, kon niet eens
zetelen: hij zat in de gevangenis voor collaboratie en was zijn burgerrechten
kwijt. In 1925 was Borms niet als kandidaat voorgesteld omdat de partij geen
zetel op het spel wou zetten.
Borms was een
activistisch symbool voor amnestie geworden. Het was dan ook het opzet van Vos
deze tussentijdse verkiezing tot een referendum tegen de anti-Vlaamse politiek
in het algemeen en over de amnestie in het bijzonder te maken. Het resultaat was
overdonderend en onverwacht: 83.058 kiezers stemden voor Borms, terwijl de
liberale kandidaat 44.410 stemmen en de communistische kandidaten 3.083 en 2.615
stemmen haalden. 58.052 kiezers brachten een ongeldige of een blancostem uit.
Deze
verkiezingsuitslag had een schokeffect, waarvan de flaminganten trachtten
gebruik te maken .
De Franstalige patriotten vreesden
voor de Belgische eenheid en de Belgische politici waren eindelijk bewust van de
omvang en de ernst van het Vlaamse vraagstuk. Kort nadien kwamen de drie
grootste partijen met hun voorstellen tot oplossing ervan naar voren. De
Vlaams-nationale agitatie, met de steun van Hollandse Groot-Nederlanders, hielp
de regering overtuigen om het talenvraagstuk aan te pakken .
De “genadewet”, waardoor de activisten geen vervolging meer te vrezen
hadden, was al door de Kamer goedgekeurd. De goedkeuring door de Senaat werd
waarschijnlijk door de Bormsverkiezing ondersteund. De Rijksuniversiteit van
Gent werd in 1930 vernederlandst. In 1932 kwam een taalwet in verband met
onderwijs en bestuurszaken tot stand. Het verkiezingssucces van de Frontpartij
in 1929 (een toename van vijf zetels) kan gedeeltelijk aan de Bormsverkiezing
worden toegeschreven.
Het
afscheid en de verantwoording
Van
Frontpartij naar Vlaams Nationaal Verbond (VNV)
De
Vlaams-nationalisten bleken echter niet in staat om het verkiezingssucces van
1929 en de invloedsvergroting duurzaam te maken. Van 1929 tot 1932 werd het
Vlaams-nationalisme met een periode van verwarring en interne verdeeldheid
geconfronteerd. Toen ondervond de Vlaamse beweging de weerslag van de
corporatistisch-autoritaire stroming in het buitenland. Die weerslag werd gevoed
door de economische crisis. Politiek gezien was de breuk tussen de Frontpartij
en de West-Vlaamse volksvertegenwoordiger Joris van Severen, die in 1931 het
Verbond der Dietse Nationaal-Solidaristen (Verdinaso) oprichtte, het
belangrijkst. Het Verdinaso streefde naar een politieke vereniging van Nederland
en België en naar een autoritaire regeringsvorm.
Herman Vos
beschikte over te weinig politieke capaciteiten om de eenheid binnen het
nationalistische kamp te bewaren. De enige poging die ondernomen werd, was het
opstellen van een Federaal Statuut voor België, in feite een
grondwetsherziening, een poging om België om te vormen tot een bondsstaat,
waarbij de beide delen soeverein zouden zijn, behalve op de domeinen waar
gemeenschappelijke instellingen de soevereiniteit zouden hebben: buitenlandse
politiek, tolwezen, verkeerswezen...
Over het auteurschap van het
Federaal Statuut zijn er twee visies. Volgens de eerste visie zou Herman Vos het
geschreven en het dus ook gesteund hebben: “Vóór
1933 immers was hij een overtuigd federalist - getuige zijn Federaal Statuut -
[...]“
.
Volgens de tweede visie ,
waarbij wij ons willen aansluiten, hebben Pieter Geyl en Frederik Gerretson,
allebei Nederlandse historici-journalisten-literatoren, het Federaal Statuut
geschreven. Herman Vos zou de enige Vlaming geweest zijn die erbij betrokken
werd, naast nog Nederlanders en ballingen. Vos zou de taak gehad hebben om het
Statuut te promoten bij de Frontpartij, maar daarvoor zou hij weinig ijver
getoond hebben .
Vos kon de
parlementairen van de Frontpartij ertoe brengen hun handtekening te plaatsen
onder het wetsvoorstel. Maar op de dag dat de Kamer het voorstel in overweging
zou nemen, trokken de twee radicalen Ward Hermans en Jeroom Leuridan hun
handtekening in. De poging om de eenheid te herstellen mislukte. Het verzet
groeide en Vos ondernam volgens Elias nauwelijks iets om het Statuut te
verdedigen .
De verdeeldheid
bij de nationalisten leidde in oktober 1933 tot de omvorming van de Frontpartij
tot het VNV, het Vlaams Nationaal Verbond. Het VNV verliet de godsvrede om een
pro-katholiek standpunt in te nemen. In Antwerpen wilde de Frontpartij eerst
niet aansluiten omdat ze het godsvredebeginsel trouw wilde blijven. De overgang
was verward en een aantal sociaal vooruitstrevende vrijzinnigen lieten het
afweten. Herman Vos hoorde tot die laatste groep. In een brief aan Geyl liet hij
weten: “Met de onderhandelingen hier
over het eenheidsfront staat het zeer slecht. Het is nu haast uitgemaakt dat
Antwerpen zal moeten likwideren en dat ik uit De Schelde zal moeten treden. Ik
kan de evolutie voor die organische, corporatieve, autoritaire staatsleer,
waarop men ons nu wil binden - allen zijn daarover akkoord behalve Antwerpen -
niet meemaken” . In zijn artikel “Mijn
afscheid en mijn verantwoording” in De Schelde lezen we: “Een
eenheidsfront bleek niet mogelijk, waar men mij, en degenen die denken zoals ik,
wou binden op een sociale leer die ik niet deel” .
Vos, die een democraat was, had theoretische bezwaren tegen een
autoritair-corporatief, dus anti-
democratisch idee. Ook was voor de Antwerpse
Vlaams-nationalist de volstrekste ontkenning van het Marxisme in al zijn vormen
moeilijk te aanvaarden .
Verschillende
opvattingen over de Groot-Nederlandse gedachte
Naast die
rechtse verschuiving binnen het nationalistische kamp waren ook de verschillende
opvattingen wat de Groot-Nederlandse gedachte inhield een belangrijke reden voor
Vos om op te stappen. In een interview in de Antwerpse socialistische krant Volksgazet
lezen we: “Ik ben altijd voor een
culturele eenheid van Vlaanderen en Nederland opgekomen en als ik bij de
extremisten als een neo-belgicist bestempeld word, dan is het omdat ik een
politiek toegespitste Groot-Nederlandse gedachte voor de onwezenlijkheid der
onwezenlijkheden houd” .
De
Groot-Nederlandse gedachte was, net zoals het activisme, tijdens de Eerste
Wereldoorlog ontstaan. “Vier jaar
intense Duitse propaganda had niet alleen geleid tot een belangrijke Nederlandse
bijdrage in het scheppen van een activisme in de schoot van de Vlaamse beweging,
maar had ook haar uitwerking niet gemist op Nederland zelf. Ze had een
Groot-Nederlandse beweging geschapen die beperkt was in haar omvang stricto
sensu, maar die wortels had in allerlei sectoren van de publieke opinie die
toegankelijk voor de Duitse invloeden waren geweest” .
De politiek
toegespitste Groot-Nederlandse gedachte kwam neer op een vernietiging van het
Belgische staatsverband. In het al geciteerde interview in Volksgazet van 1 november 1933 zei Vos “dat hij geloofde in een nationaliteitenstaat, een geloof in de
mogelijkheid van een met recht en rechtvaardigheid te verzoenen Belgische
nationaliteitenstaat waarin Vlamingen en Walen inderdaad broederlijk naast
elkaar konden wonen”.
De
kanalenkwestie: Vos contra Geyl en Gerretson
De
Groot-Nederlanders speelden een leidende rol in het verzet tegen het
Belgisch-Nederlandse verdrag over de waterwegen. Zolang de Groot-Nederlanders
invloed hadden, werd een verdrag in verband met de waterwegen tegengehouden.
Geyl en Gerretson zouden in dat verzet een sleutelpositie gehad hebben. Geyl was
vanaf 1919 persattaché van het Nederlandse gezantschap in Londen. Hij had als
taak Engelse steun te bekomen met het oog op de bestrijding van de Belgische
aanspraken op herziening van de verdragen van 1839, van onder andere de
opgelegde neutraliteit, de overdracht van het Groot-Hertogdom Luxemburg,
Maastricht en Nederlands-Limburg en op een verbetering van het statuut van de
Schelde en het kanaal van Terneuzen. De Nederlanders waren immers niet van plan
om tot vrijwillige gebiedsafstand over te gaan.
Maar ook
Gerretson had een belangrijke rol in dat verzet. In januari 1929 kon hij De
Schelde kopen. Hij was het die voorschreef wat er in de krant moest
verschijnen over de kanalenkwestie. Vos wilde echter een gunstige situatie voor
Antwerpen. De overeenkomst tot het graven van het Moerdijkkanaal werd verworpen.
Vos was door die verwerping teleurgesteld, omdat er geen motie voor nieuwe
onderhandelingen door de Eerste Kamer werd aangenomen in de plaats ervan. Herman
Vos voelde zich door Gerretson in de steek gelaten, omdat hij Vos had gezegd dat
de Groot-Nederlanders voor een ander kanaal zouden zorgen .
Na de aankoop
van De Schelde door Gerretson werd Herman Vos hoofdredacteur van het
blad. Hij was echter volledig afhankelijk van Gerretson en Geyl. Ofwel moest hij
door Geyl ondertekende artikels opnemen, ofwel werd hij verzocht om er zijn
eigen naam of initialen onder te zetten. Ook Gerretson liet zijn artikels
opnemen. Vos zwakte het anti-Belgische karakter van de artikels soms af,
waarvoor hij dan berispt werd .
Maar het ging
nog verder: “Brieven en artikels die de
Nederlandse persattaché in Londen aan Britse bladen richtte, over de
Belgisch-Nederlandse kanalenkwestie en tegen België in het algemeen, moest Vos
zoals tevoren ondertekenen. Hetzelfde in De Schelde, zelfs als het artikel tegen
Vos’ opinie en tegen de Antwerpse belangen inging. Vos moest ook voortgaan met
in het Belgische parlement vragen te stellen die door de Rotterdamse zakenman
Gerretson opgesteld waren, waarachtig niet om de Belgische, Vlaamse of Antwerpse
belangen te dienen” .
Deze afhankelijkheid ten opzichte van de Groot-Nederlanders Geyl en Gerretson
was voor Vos een zware last.
De
parlementsverkiezingen van 1932 en de gevolgen voor Herman Vos
Het begin van
de jaren dertig werd niet alleen gekenmerkt door een verrechtsing binnen het
Vlaams-nationalistisch kamp. Ook de economische crisis stak de kop op. Het
begrotingstekort steeg boven het miljard en de toename van het aantal werklozen
wekte onrust. De katholiek-liberale regering onder leiding van de katholiek
Renkin zag de oplossing in een beleid van deflatie en bezuinigingen. Deze
politiek werd beantwoord met een reeks van grootscheepse stakingen. Na de
gemeenteraadsverkiezingen van 1932 diende Renkin zijn ontslag in nadat de
liberalen dit herhaaldelijk hadden gevraagd. Charles de Broqueville werd gelast
met de formatie van een nieuwe regering. Zijn eerste actie bestond uit het
ontbinden van het parlement en het uitschrijven van verkiezingen op 27 november.
Men zou
verwacht hebben dat de verkiezingsstrijd zich om de economische en financiële
problematiek zou afspelen. maar de Broqueville herhaalde de succesvolle actie
van 1912. De katholieken maakten de verdediging van de vrije scholen, onder de
leuze “Red de schone ziel van het kind”, tot de inzet van hun campagne. Dit
werd voor hen gemakkelijker door de houding van de twee andere grote partijen.
In november 1931 hadden de socialisten op hun jaarlijks congres al besloten,
onder de oppositie van het merendeel van de Vlaamse partijgenoten, te ijveren
voor de afschaffing van de toelagen voor de vrije scholen. Ook het liberale
partijcongres had zich in juni 1932 tegen het bestaande stelsel verklaard. Een
ander teken van de groeiende klerikaal-antiklerikale tegenstelling was de
verbreking, ná de gemeenteraadsverkiezingen, van de elf jaar oude coalitie van
katholieken en socialisten in het Antwerpse stadsbestuur en de vorming van een
socialistisch-liberaal college van burgemeester en schepenen. De socialist
Camille Huysmans werd er burgemeester.
De verkiezingen
werden door de Katholieke Partij voor het eerst sinds de oorlog in gesloten
gelederen gevoerd. Er waren nauwelijks dissidente lijsten. Het resultaat liet
voor de katholieken niet te wensen over: ze hadden een winst van drie zetels. De
socialisten hadden ook drie zetels winst, terwijl de liberalen er vier en de
Frontpartij er drie verloren: één in het arrondissement Roeselare-Tielt en
twee in de provincie Antwerpen. Op de dag dat Gent een verkozene kreeg, Hendrik
Elias, verdween Antwerpen met Vos uit het parlement. De verzwakking van het
vrijzinnige bolwerk Antwerpen had tot gevolg dat het katholieke element in de
nationalistische beweging nu een volkomen overwicht kreeg: een onhoudbare
situatie voor de vrijzinnige Vos. De tegensteling binnen het
Vlaams-nationalistische front had haar tol geëist.
Vos was over de
campagne van de katholieken in een brief van 2 december 1932 aan Geyl heel
duidelijk: “De doorslag heeft de
confessionele propaganda van de staatskatholieken gegeven. Daartegen konden we
niet op. Het was pompen of verzuipen en ik ben tot het uiterste gegaan” .
Die confessionele propaganda was volgens Vos dus de hoofdreden voor het afhaken
van de katholieke kiezers. Hendrik Borginon was echter van oordeel dat het
verlies van Vos te maken had met het gebrek aan eigen activiteit in zijn
kiesdistrict . Of was het de interne
verdeeldheid en de ruzie met Ward Hermans die zovele kiezers deed afhaken?
Het niet
verkozen zijn, had voor Vos grote gevolgen. Zo verloor hij een belangrijke, zo
niet dé belangrijkste bron van inkomsten. In verschillende brieven werd daarop
gealludeerd. In een door Geyl geschreven brief lezen we dat “Vos
van geleend geld moest leven” .
Herman Vos werd nochtans volledig bezoldigd hoofdredacteur nadat zijn salaris
als parlementair was weggevallen. Dit inkomen werd door de partij betaald ,
maar was dus blijkbaar ontoereikend. Dat Herman Vos overstapte, enkele dagen
nadat hij een functie door de socialist De Man aangeboden kreeg en zo “zijn
materieel bestaan verzekerde” ,
kan ook als een bewijs van zijn financiële beweegredenen gezien worden. De
aangeboden functie zorgde er immers voor dat Vos “het materieel, volgens de omstandigheden, goed stelde” .
De
keuze voor de Belgische Werkliedenpartij
Met het
overstappen naar de BWP ging Herman Vos in op het verzoek van de leider van de
Antwerpse federatie van de BWP, Camille Huysmans. Tussen hen bestond al jaren
een goede verstandhouding. De uitnodigingen van Huysmans aan het adres van Vos
om bij de socialisten aan te sluiten, worden verschillende keren beschreven in
de briefwisseling tussen Vos en Geyl .
Uit het artikel
“Mijn afscheid en mijn verantwoording” in De
Schelde kunnen we afleiden dat de overstap naar de BWP voor Vos een voor de
hand liggende keuze was: “Van
socialistische geest is mijn nationalisme altijd doordrenkt geweest: ik heb nu
de volle strijd voor die idee, met al haar implicaties, in het gevormde kader
aanvaard”.
In het
interview in Volksgazet van 1 november
1933 vernemen we meer over die “socialistische geest”. Het doel van de
Vlaamse beweging was de ontplooiing van het Vlaamse volk, die door de
taalverdrukking en door de niet-erkenning van een Vlaamse volkspersoonlijkheid
totaal onmogelijk werd gemaakt. Volgens Vos “is
deze beweging in haar oorsprong en ontwikkeling niet te begrijpen zonder de
maatschappelijke ‘cleavage’ die deze verdrukking heeft bepaald, namelijk de
strijd van de kleine Vlaamse lieden (boeren, arbeiders en kleine middenstand)“.
De Vlaamse beweging had haar sterke impuls van deze maatschappelijke groepen
ontleend. De Frontpartij was echter een zuiver nationale partij zonder inhoud.
Voor Vos was de tegenstelling over de oriëntatie van het maatschappelijk
bevrijdingskamp, namelijk dat een zuiver nationale partij zonder sociale inhoud
op den duur onbestaande is, dan ook te voorzien.
De
reactie van de Antwerpse pers
Op 1 november
1933 schreef Herman Vos in De Schelde
een artikel waarin hij de beweegredenen voor zijn politieke stap duidelijk
maakte. Vos drukte de lezers op het hart dat hij zonder wrange spijt op het
verleden, dat voor hem afsloot, terugkeek. In diezelfde krant werd ook een
anonieme reactie van de beheerraad van De
Schelde opgenomen. Daarin stond te lezen dat de krant haar roeping zou trouw
blijven, vrij en onafhankelijk zou verderwerken. De beheerraad was diep
getroffen omwille van het feit dat Herman Vos zijn taak als hoofdredacteur niet
verder kon zetten. Het artikel eindigde met een eregroet aan Vos.
Diezelfde dag
verscheen op de frontpagina van Volksgazet,
de officieel-socialistische Antwerpse krant, een uitgebreid interview met Vos.
Daarin legde hij uit dat er drie redenen waren voor zijn politieke beslissing:
de tegenstelling over het maatschappelijke bevrijdingskamp, de andere opvatting
over de Groot-Nederlandse gedachte en de zucht naar ware democratie.
De Antwerpse
centraal-liberale krant De Nieuwe Gazet
pakte op 2 november met een eerste reactie uit. Volgens de journalist betekende
de stap van Vos het einde van het Vlaams-nationalisme. De Vlaams-nationale ideeën
van Herman Vos werden gezien als een verdwazing, die volgens de liberalen niet
als hopeloos werd aanzien. Met genoegen zagen ze bij het overstappen hun
diagnose bevestigd. Als verantwoording voor de politieke beslissing haalden ze
aan dat hij het als eerlijk en verstandig mens onmogelijk langer kon uithouden
in het Vlaams-nationalistische milieu.
Op de stelling
dat Vos’ beslissing het einde van het Vlaams-nationalisme betekende, lezen we
een reactie in De Schelde van 5
november 1933. Daarin werd geschreven dat de journalisten die dat beweerden,
personen met zaken verwarden. Niemand kon de Vlaams-nationale gedachte in pand
hebben.
De
conservatief-christelijke krant, de Gazet
van Antwerpen, was karig met informatie. het artikel van 2 november 1933 met
betrekking tot Vos’ beslissing stond, in tegenstelling met de andere kranten,
niet op de frontpagina. Qua inhoud was dit artikel een kopie van het interview
van De Volksgazet van 1 november. De motivering van Vos werd als volgt
in drie punten samengevat: Herman Vos achtte een politiek toegespitste
Groot-Nederlandse gedachte als inactueel en onwezenlijk. Volgens Vos was het
onmogelijk om alleen bezig te zijn met vrijheidsnationalisme en onverschillig te
blijven op sociaal vlak. Het heengaan was ook een gevolg van uiteenlopende
opvattingen over het maatschappelijke vraagstuk.
Herman
Vos bij de BWP
Dat Herman Vos een functie in
het Bureau voor Sociaal Onderzoek door Hendrik de Man werd aangeboden vóór het
bekendmaken van zijn politieke beslissing was niet algemeen geweten, zo blijkt
uit het personderzoek. Maar in een brief aan Geyl van 2 november 1933 schreef
Vos: “Voor een tiental dagen, vlak na
mijn terugkeer uit Londen, werd ik opgebeld door Hendrik de Man [...]. De Man bood mij onmiddellijk een leidende post,
chef van de redactiedienst, aan, wat niet enkel mijn materieel bestaan
verzekerde, maar mij ook een sleutelpositie bezorgde in de socialistische
werkliedenbeweging”
.
Aangezien hij vóór
de Eerste Wereldoorlog op het Gemeentelijk Bureau voor Statistiek gewerkt had en
hij colleges aan het Sociologisch Instituut van de Brusselse Universiteit
gevolgd had, was het geen verrassing dat Herman Vos door Hendrik de Man gevraagd
werd om een functie in het Bureau voor Sociaal Onderzoek te bekleden. Het Bureau
was opgericht om het plansocialisme voor België om te zetten in een Plan van de
Arbeid.
Naast Hendrik
de Man, die de leiding over het Bureau had, waren er nog vier vaste medewerkers,
waaronder A. Halasi, een gewezen hoogleraar, en Herman Vos. Dit bureau stelde 22
commissies samen, bestaande uit de meest ervaren en vooraanstaande partijleden.
Ze moesten zorgen voor de uitwerking van het Plan in wetsvoorstellen. Herman Vos
zorgde voor de coördinatie van de redactie. Het werk resulteerde in een
uitgebreid boek “De uitvoering van het Plan van de Arbeid”, dat in 1935
verscheen.
Het Plan wilde
de hand leggen op de financiële wereld en de industrie door het bank- en
kredietwezen en de sleutelindustrieën te monopoliseren. De controle hierop was
fundamenteel. De overheid kreeg zo een heel belangrijke taak, maar aan het privé-initiatief
zou verder niet geraakt worden. Het Plan betekende dus een invoering van een
gemengde economie, een harmonie tussen privé-initiatief en de regulerende
staat. Op deze manier voelde de middenstand zich niet bedreigd. Arbeiders en
middenstand zouden samen één grote familie kunnen vormen, tegen het
grootkapitalisme en met de afwending van het nationaal-socialisme.
Toen Hendrik de
Man in 1935 tot de eerste (katholiek-liberaal-socialistische) regering van
Zeeland toetrad en de regeringsverantwoordelijkheid aanvaardde zonder dat aan de
conditie was voldaan, namelijk het hele Plan in het regeringsprogramma op te
nemen, kende de propaganda voor het nieuwe socialisme een crisis. De katholiek
Paul van Zeeland steunde toch een aantal van de besluiten van het Plan,
uitgezonderd de belangrijkste zoals de nationalisering van het krediet en de
controle op de holdings.
De
werkzaamheden van het Bureau voor Sociaal Onderzoek liepen ten einde omdat de
opdracht, het Plan van de Arbeid in wetsvoorstellen concretiseren, volbracht was
en ook omdat het Plan zijn politieke betekenis had verloren door de deelname van
de BWP aan de regering zonder Plan. Hiermee was ook de taak van Vos voltooid.
Hij hoopte na
die wetenschappelijke opdracht een politieke rol te kunnen spelen. Hierin
slaagde hij maar gedeeltelijk. In 1936 werd hij provinciaal senator voor
Antwerpen. Hij zou dit ambt tot 1946 bekleden. Hij werd senator voor Antwerpen
omdat hij in het arrondissement Turnhout niet verkozen was. Hij week
waarschijnlijk naar Turnhout uit, omdat hij geen tegenstander van zijn vroegere
partijgenoten wou zijn.
In juni 1937
nam hij het woord in de Senaat tijdens een debat over het regeringsontwerp over
amnestie. Deze tussenkomst was de aanleiding voor een aantal discussies in de
BWP tussen Vlamingen en Walen. Hij kon echter geen voordeel uit zijn actie halen
en het politiek prestige voor hem in de BWP liet op zich wachten. Vóór de
Tweede Wereldoorlog stak Herman Vos nog twee maal zijn nek uit: op het Vlaams
Socialistisch Congres van 1937 en ter gelegenheid van de socialistische
herdenking van de Guldensporenslag in Kortrijk in 1939. Hij was wel niet actief
bij de organisatie van deze twee gebeurtenissen betrokken.
Ondertussen
kreeg hij ook een journalistieke functie in Vooruit,
het Gentse socialistische dagblad en in De
Volksgazet. In 1938 breidde Vos zijn journalistieke activiteiten uit door
toe te treden tot de redactie van het tijdschrift Leiding, opgericht door Hendrik de Man.
Toen de Duitse
troepen in mei 1940 België binnenvielen, vluchtten een aantal politici naar
Frankrijk. Vos volgde hun voorbeeld. Hij was ook in Limoges toen de gevluchte
parlementairen de houding van de koning scherp veroordeelden. De capitulatie van
het Belgische leger en de overgave van koning Leopold III werden in Frankrijk
immers als verraad beschouwd.
Herman Vos
keerde tijdens de oorlog naar België terug en trad in 1941 tot het Politiek
Comité van de Weerstand toe, in België gevormd op initiatief van de regering
Pierlot. De taak van het Comité was tweevoudig: de regering over de situatie in
bezet België informeren en het verzet tegen de bezetter in de magistratuur, de
financiële en industriële wereld stimuleren.
Bij de
terugkeer uit Londen breidde de Belgische regering zich met een aantal leden van
het verzet uit. Zo werd Herman Vos minister van Openbare Werken op 27 september
1944 tot 20 maart 1947. Daarna was hij minister van Openbaar Onderwijs en
Belgisch afgevaardigde bij de UNO. In 1952 overleed Vos na een ziekte.
Besluit
De overstap van
Herman Vos van de Frontpartij naar de BWP hield dus duidelijk geen verrassing in
en was geenszins een onbezonnen beslissing.
Vos’
gematigdheid stond lijnrecht tegenover de verrechtsing van het
Vlaams-nationalisme in het begin van de jaren dertig: een
autoritair-corporatieve stellingname kon hij niet aanvaarden. Hij kon zich dan
ook niet thuisvoelen in een omvorming van de Frontpartij tot het VNV in oktober
1933. Ook de politiek toegespitste Groot-Nederlandse gedachte, die een
vernietiging van het Belgische staatsverband inhield, botste met de gematigde
opvattingen van Vos. Om die reden en omwille van de tegengestelde belangen die
hij moest verdedigen in de Antwerpse krant De Schelde, werd de afhankelijkheid ten opzichte van de
Groot-Nederlanders Gerretson en Geyl hem te veel. De verkiezingen van 1932
leidden tot een nederlaag voor de Frontpartij. De confessionele campagne van de
katholieken en de verdeeldheid binnen het Vlaams-nationalistische kamp lagen
daarvoor aan de basis. Het niet verkozen zijn leidde voor Vos tot financiële
problemen. Het herhaaldelijke aanbod om toe te treden tot de BWP gaf hem in die
periode enige vorm van zekerheid. Dit was echter niet de enige reden voor de
vrijzinnige Vos om in te gaan op het verzoek. We zouden het politieke denken en
handelen van Herman Vos kunnen omschrijven als een zoeken naar een evenwicht
tussen nationalisme en socialisme: zijn nationalisme was op een socialistische
leest geschoeid.
|