ASO, TSO, BSO: het verschil
zit vaak tussen de twee oren
Psychologos
December 2007 - Jaargang 22
- Nummer 4
Je
kan geen krant openslaan, geen weekblad lezen of er staat een
artikel in over het onderwijs en meer specifiek over de
waardering van het secundair onderwijs in het algemeen en het
verschil tussen het algemeen secundair onderwijs (ASO),
technisch onderwijs (TSO) en het beroepsonderwijs (BSO) in het
bijzonder. Er is duidelijk iets aan de hand.
Het
loopt al mank bij de studiekeuze bij de overgang van het lager
onderwijs naar het secundair onderwijs. Al te vaak maken ouders
onmiddellijk de keuze voor een ASO-studierichting en daardoor
starten veel leerlingen in een studierichting die hen niet past.
Ouders stimuleren hun zoon of dochter nog te veel om een
ASO-richting te volgen, omdat studierichtingen die op een
toepassing gericht zijn als minderwaardig beschouwd worden
tegenover studierichtingen die denkwerk eisen. Dat is een foute
redenering, want ook technische richtingen zoals industriële
wetenschappen, elektromechanica of elektriciteit-elektronica
bieden alle kansen. De leerlingen met een foute keuze komen via
een watervaltechniek uiteindelijk in een voor hen gepaste
studierichting terecht. Maar dan hebben ze door die foute keuze
één of meerdere jaren achterstand en hebben ze bovendien met
de stempel "mislukking" kennisgemaakt. 55 % van de
beroepsleerlingen zat eerder in een ASO- of TSO-richting. Ook
het onderwijs treft schuld. In het basisonderwijs komen techniek
en technologie weinig aan bod en het evaluatiesysteem is nog te
veel op kennis en kennisoverdracht gericht.
In
Vlaanderen heeft het "watervalprincipe" heel lang de
instroom in het technisch onderwijs gedomineerd. Teveel ouders
kiezen voor ASO en zien een technische opleiding slechts als een
tweederangs uitwijkmogelijkheid wanneer hun kind niet geschikt
blijkt voor het ASO.
Het
is een paradox: in bepaalde regio’s geraken vele vacatures
nauwelijks of niet ingevuld. Die knelpuntberoepen zijn nochtans
niet alleen "vuile" of slecht betaalde jobs. Vaak
handelt het om probleemberoepen die een uitstekende kans bieden
op vast werk en een goed loon. En toch kiezen heel wat jongeren
niet voor de opleiding die zicht biedt op zo'n toekomstberoep.
Doorstroming
naar het hoger onderwijs
De
discussie gaat intussen verder dan de studiekeuze die gemaakt
wordt bij de overgang van het lager onderwijs naar het secundair
onderwijs.
Marc
Verminck, docent Filosofie aan de Hogeschool Sint-Lukas Brussel,
stelde in een opiniestuk in De
Standaard (1 oktober 2007) dat de doorstroming naar het
hoger onderwijs fout loopt. In het opiniestuk stelde hij dat het
hoger onderwijs voor de meeste leerlingen uit het technisch
onderwijs niet haalbaar is. Dat is wel heel ongenuanceerd.
Heel
wat technische opleidingen zijn specifieke vooropleidingen voor
het hoger onderwijs: industriële wetenschappen,
elektromechanica, elektriciteit-elektronica. Deze hoogwaardige
studierichtingen zomaar afschrijven is meer dan een
onderwaardering van de kwaliteitsvolle opleiding in technische
scholen.
Dat
er nood is aan degelijke informatie over de slaagkansen in het
hoger onderwijs na een technische of beroepsopleiding is
correct. Die taak is in de eerste plaats weggelegd voor het
Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en de scholen zelf.
Maar
ook op dit vlak vergeet Verminck een belangrijk aspect. Ook
leerlingen uit het ASO hebben het steeds moeilijker om hoger
onderwijs succesvol aan te vatten. De studiekeuze bij de start
van het secundair onderwijs loopt al fout. Heel wat leerlingen
kiezen alleen voor het ASO omdat het technisch onderwijs
ondergewaardeerd wordt. Door de keuze voor het ASO worden die
leerlingen bijna verplicht om hogere studies aan te vatten. Een
ASO-diploma is immers een ticket voor verdere studies, maar
biedt op zich geen kansen op de arbeidsmarkt. De slaagkansen van
deze ASO-leerlingen zijn dan ook heel klein: hoger onderwijs is
steeds meer gericht op de betere student.
Mieke
Van Hecke, hoofd van het katholieke onderwijs, goot ook al olie
op het vuur door onomwonden te stellen dat ze betwijfelt of TSO-
en BSO-leerlingen even goede leraars kunnen worden als
leerlingen die een ASO-opleiding volgden. In Klasse
(Maandblad voor Onderwijs in Vlaanderen) werd geconcludeerd dat
ze hiermee een oude stelling van professor Jan Van Damme
brandend actueel maakte: “De afstand en het verschil in
prestige tussen ASO, TSO en BSO is het voornaamste probleem van
het secundair onderwijs”. En dat verschil in prestige is net
een gevolg van het denkbeeld van de ouders.
Een
voorbeeld: in het Leuvense is er een veel grotere ASO-populatie
dan in andere streken. De ouders zijn er vaak hoger gediplomeerd
en ze zien hun kinderen liever een ASO-studierichting kiezen.
Vrienden, leraars, gebouwen en sociaal prestige wegen dus door.
Schaf
ASO, TSO en BSO af
Ondertussen
worden pogingen ondernomen om ASO, TSO en BSO af te schaffen. In
drie Vlaamse proeftuinscholen stoppen ze leerlingen niet meer in
ASO-, TSO- of BSO-hokjes. Zo wordt er niet meer gewerkt met
studierichtingen, maar wel met belangstellingsgebieden. Binnen
“economische vorming” vallen dan bijvoorbeeld de vroegere
studierichtingen handel (TSO) en economie (ASO).
De
impact van deze proeftuinen op het denkpatroon van de ouders bij
de studiekeuze zal men echter niet op korte termijn kunnen
evalueren.
Kurt
Himpe (khimpe@vti-izegem.be)
is coördinator aan het Izegemse Vrij Technisch Instituut en
secretaris van de Werkgroep Industrie-VTI. Hij is lid van de
stuurgroep "Pet af voor technische vorming",
gemeenteraadslid en partijbestuurslid voor de N-VA.